|
|
Koning Willem III (1817-1890)Alexander Paul Frederik Lodewijk (Brussel 19 febr. 1817 – Het Loo 23 nov.
1890), koning der Nederlanden, groothertog van Luxemburg van 1849 Tot 1890,
hertog van Limburg van 1849 tot 1867, uit het Huis Oranje-Nassau, zoon van
Willem II en Anna Paulowna, ontving een militaire opleiding en trouwde 18 juni
1839 zijn nicht Sophia van Württemberg. Zijn huwelijk was ongelukkig; van eind
1843 tot maart 1849 woonde de prinses doorgaans bij haar familie te Stuttgart.
Bij Willems troonbestijging had er door toedoen van Anna Paulowna en prins
Frederik een hereniging plaats, maar in 1851 zette Sophia's familie
voorbereidende stappen tot een echtscheiding. Deze had niet plaats, maar
sindsdien leefde de koningin, gescheiden van haar man, op het Huis ten Bosch in
Den Haag. Alleen bij officiële plechtigheden verscheen zij in het publiek.
Als kroonprins werd Willem door zijn vader, met wie hij vrijwel doorlopend conflicten had, buiten alle staatszaken gehouden. Willem II's initiatief tot een grondwetsherziening in liberale geest leidde tot scherpe tegenstellingen. Na het aannemen van de grondwetswijziging, die immers de persoonlijke bevoegdheden van de soeverein zeer beperkte, deed de kroonprins afstand van zijn opvolgingsrecht ten behoeve van zijn oudste zoon en eiste openbaarmaking daarvan in de Staatscourant. Willem II verbood dit echter. Spoedig daarna overleed hij en kon zijn zoon hem opvolgen (maart 1849). In
nov. 1849
zag Willem III zich genoodzaakt een kabinet-Thorbecke te aanvaarden. In de
eerste jaren van zijn regering doken af en toe geruchten op van een door de
koning beraamde staatsgreep, vooral in 1853, toen de Aprilbeweging
de gelegenheid daartoe gunstig scheen te maken. Van het samenspel met ridder van Rappard,
van dec. 1856 tot maart 1858 minister van Binnenlandse Zaken, getuigt de Wet op
het lager onderwijs van 1857, die 's konings ‘groot-protestantse’ denkwijze
over het onderwijs vrij zuiver weergeeft. Voor het overige liet hij zich door de
‘groot-protestantse beweging’ niet tot antipapisme verleiden. Willem III
liet zijn ministers in het algemeen hun gang gaan, maar zelfs de geringste
schijn van inbreuk op zijn rechten deed hem ontsteken in woede. Ook beïnvloedden
sympathieën en vooral antipathieën, bijv. jegens Thorbecke, doorgaans zijn
gedrag, zeker bij de vele kabinetsformaties, waarin hij het laatste woord had.
Van ‘parlementaire’ en ‘homogene’ kabinetten wilde hij niet weten en
waar hij de kans ertoe kreeg, drong hij de formateurs conservatieve figuren op.
In de bewogen jaren 1866–1868 (o.a. de Luxemburgse
kwestie)
heeft hij zich daardoor in een impasse gewerkt, waaruit alleen een beroep op
Thorbecke hem heeft kunnen redden. Aanpassing van de grondwet aan de eisen van
de publieke opinie heeft hij weten uit te stellen tot de herziening in 1887.
|