|
|
Koning Willem II (1792-1849)
Willem II Frederik George Lodewijk (Den Haag 6 dec. 1792 – Tilburg 17 maart
1849), koning der Nederlanden van 1840 tot 1849, groothertog van Luxemburg,
hertog van Limburg, uit het Huis Oranje-Nassau, oudste zoon van Willem I en
Wilhelmina van Pruisen, verbleef na de uitwijking van de stadhouderlijke familie
tot april 1796 in Engeland en vervolgens met zijn moeder aan het Pruisische hof
te Berlijn, waar hij van 1804 tot 1806 onderwijs aan de cadettenschool volgde en
daarna aan de militaire academie. In mei 1809 naar Engeland overgekomen,
studeerde hij te Oxford, werd lid van de Church of England, kreeg een
eredoctoraat en vertrok in 1811 als adjudant van de Britse veldheer Wellington
naar Spanje. Hij onderscheidde zich door onstuimige dapperheid, o.a. in de
gevechten bij Badajoz, Salamanca en Vitoria. Van dec. 1813 tot mei 1814 was hij
verloofd met de Engelse troonopvolgster Charlotte; deze verbrak echter de
relatie, ten voordele van Leopold van Saksen-Coburg-Gotha, de latere koning der
Belgen.
Eind dec.
1813 in Nederland teruggekomen, werd Willem door zijn vader tot generaal van de
infanterie benoemd. In deze functie commandeerde hij, geruggensteund door meer
ervaren militairen als Bernard van Saksen-Weimar, Jean-Victor de Constant-Rebecque
en Hendrik George de Perponcher, de Nederlands-Belgische troepen te Quatre-Bras
en in de Slag
bij Waterloo,
waar hij licht gewond werd. In febr. 1816 trad hij in het huwelijk met
grootvorstin Anna
Paulowna,
zuster van tsaar Alexander I. Meestal te Brussel gevestigd, knoopte hij
compromittante relaties aan met Franse emigrés en hij raakte o.a. betrokken in
een plan om Lodewijk XVIII te onttronen en Willem zelf koning van een met België
te vergroten Frankrijk te maken. Interventie van de Russische, de Engelse en de
Franse regering bij Willem I bracht hem tot inkeer, maar een paar jaar later
bleek hij opnieuw in zeer gevaarlijke conspiraties betrokken. Door minister Van
Maanen daaruit bevrijd, sloeg hij om naar een steil conservatisme. Zijn gedrag
bij de Belgische
Revolutie
(1830–1831) kenmerkte zich weer door bravoure naast onberaden concessies. In
zijn begrijpelijke verlangen om België niet definitief voor de dynastie
verloren te doen gaan, schakelde hij in een proclamatie van 16 okt. 1830 zijn
vader in feite uit, wat deze aanleiding gaf hem terug te roepen. Om de woede van
de Noord-Nederlanders te ontlopen, vertrok hij naar Engeland, vanwaar hij maart
1831 terugkeerde; later nam hij het opperbevel in de Tiendaagse Veldtocht
op zich. In de zgn. status-quo-tijd vertoefde hij doorgaans te Tilburg. Daar
knoopte hij vriendschappelijke banden aan met de pastoor J. Zwijsen, de latere
aartsbisschop; het verklaart de moeite die hij zich als koning zou geven om de
Nederlandse katholieken ‘herstel van grieven’ te doen geworden. Toen in 1839–1840 ijveraars voor een grondwetsherziening in liberale geest een perscampagne tegen zijn vader ondernamen, gaf hij daaraan achter de schermen steun, maar nadat hij 7 okt. 1840 op de troon was gekomen, bleek hij geen minder autocraat dan zijn vader. Hij miste echter diens energie en economische kennis. In de staatkundige evoluties tussen 1840 en 1849 – o.a. de sanering van de financiën en de concretisering van de tot dusver onduidelijke liberale denkbeelden – had hij geen persoonlijk aandeel. Dit laatste scheen zelfs buiten hem om te gaan, totdat de revolutionaire bewegingen in het buitenland van febr.–maart 1848 hem opeens brachten tot een buiten zijn ministers om genomen initiatief tot een grondwetsherziening in liberale geest. Toch liet hij zich, terwijl een grondwetscommissie onder Thorbecke aan het werk was, overreden niet Thorbecke, maar de reactionaire Gerrit Schimmelpenninck tot kabinetsformateur te benoemen. Zelfs toen deze zich in enkele weken in een impasse gewerkt had, bleef de koning vatbaar voor suggesties Thorbecke te weren.
Verder valt over deze Willem te vertellen dat hij een zeer slechte relatie had met zijn vader en zijn oudste zoon. Zijn schoondochter Sophia vond hem zeer onbekwaam, een zwakke persoonlijkheid die nooit op de troon had mogen zitten. Toch was hij vooral bij de katholieken zeer populair, hij verbleef na de afscheiding van België altijd in Tilburg. Over zijn huwelijk is bekend dat hij heel vaak vreemd ging en dat er rondom Tilburg tientallen nazaten moeten zijn te vinden, maar dat hij wel altijd 's avonds even bij zijn vrouw kwam kijken. Ze hadden eigenlijk een heel goed huwelijk, voor een verstandshuwelijk. Hij kreeg vijf kinderen:
|