Cyprus en Turkije

Over Cyprus heb ik een andere mening dan men van mij zal verwachten. Jullie verwachten waarschijnlijk dat ik vind dat Turkije Cyprus moet erkennen en dat ze anders het lidmaatschap van de EU kunnen vergeten.

Neen. Cyprus is - als geheel - lid geworden van de EU en niet slechts het Griekse deel. Aan beide zijden van de grens zijn referenda gehouden, waarin de Turken kozen voor een samenvoeging en de Grieken dit afwezen. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat ze bang waren hun huidige welstand te verliezen.

Ik vind dit toch wat egoïstisch en keur daarom het lidmaatschap af van het Griekse deel van Cyprus. Cyprus had nooit in gedeelde vorm lid mogen worden. Nu zit er niets anders meer op dan het Turkse deel als afzonderlijk land te erkennen en daarmee zaken gaan doen om tot een lidmaatschap te komen.

Turkije moet dan natuurlijk wel het Griekse deel erkennen, maar dit zal ook wel gebeuren.

Flag of Cyprus

Flag Description:
white with a copper-colored silhouette of the island (the name Cyprus is derived from the Greek word for copper) above two green crossed olive branches in the center of the flag; the branches symbolize the hope for peace and reconciliation between the Greek and Turkish communities (bron CIA)

Uitleg over de vlag

Wit met een koperkleurig silhouet van het eiland (Cyprus komt van het Griekse woord voor koper) boven twee gekruiste olijven bladeren die de hoop op een eenwording  van Griekse en Turkse delen symboliseren.

Geschiedenis van Cyprus (bron Wikipedia)

Ottomanen

Aan het christelijke bewind kwam in 1571 een einde toen de Ottomanen het eiland veroverden. Ondanks de overwinning van de christelijke alliantie bij de slag bij Lepanto op 7 oktober 1571, gaf Venetië Cyprus over aan de Ottomanen in 1573. De Orthodoxe Kerk verwelkomde het nieuwe bewind aanvankelijk omdat de Ottomaanse Turken bereid waren deze Kerk te erkennen. Zij gebruikten de Kerk echter ook als middel om meer belasting te kunnen heffen en de opbrengst daarvan verdween naar Istanbul. Bij de onafhankelijkheid van Griekenland in 1821 namen de Turken op het eiland de kerkleiders gevangen en onderdrukten de bevolking en ontstond er steeds meer verwijdering met de Grieks sprekende bevolking. Er waren inmiddels een vrij grote minderheid Turken op het eiland komen wonen. De Turken regeerden het eiland tot 1878.

Britten

In 1877 waren de Britten en de Russen in oorlog met het steeds zwakker wordende Turkse Rijk en de Britten bezetten het eiland. Als onderdeel van de Anglo-Turkse conventie van 1878 bleef de bezetting gehandhaafd. In 1925 werd het eiland een Britse kroonkolonie.

Onafhankelijkheid en deling

In 1960 werd Cyprus onafhankelijk onder president Makarios en vicepresident Kuchuk. Zoals in de grondwet was bepaald, werden de functies van president en vicepresident bekleed door respectievelijk een Grieks en een Turks Cyprioot. De onafhankelijkheid van Cyprus werd gegarandeerd door Groot-Brittannië, Griekenland en Turkije, die het recht kregen gezamenlijk of individueel op het eiland in te grijpen als de constitutie gevaar liep. De Cypriotische grondwet was een van de merkwaardigste die ooit aan een land is opgelegd. Zij bepaalde dat de Turks Cyprioten, een minderheid van ongeveer 18%, niet alleen een onevenredig grote invloed kregen in het bestuur (zoals 30% van de parlementszetels, 30% van de ambtelijke functies en 40% van de politiemacht), maar in essentiële zaken, zoals de kieswet en de belastingwetgeving, in feite ook een recht van veto. In de grote plaatsen zouden gescheiden gemeentebesturen moeten worden ingesteld. Het was een constructie die in de praktijk niet bleek te werken. Al spoedig ontstonden er onoverkomelijke problemen bij het vervullen van vacatures in de ambtenarij, het leger en de politie en de organisatie van de gescheiden gemeentebesturen, die niet van de grond kwam. Ook gebruikten de Turks Cyprioten hun veto om essentiële belastingwetgeving te blokkeren. Het bestuur kwam zo knarsend tot stilstand, hetgeen Makarios er toe bracht om in 1963 een aantal wijzigingen in de grondwet voor te stellen, die de invloed van de Turks Cyprioten zou beknotten. Dit leidde tot een uitbarsting van onderling geweld. Op 21 december braken er hevige gevechten uit in Nicosia. Aanleiding was een incident tussen Turks Cypriotische inzittenden van een auto bij een routinecontrole door Grieks Cypriotische agenten, dat leidde tot de dood van een Turkse vrouw. Zowel de TMT als ontevreden ex-EOKA strijders grepen de situatie aan om hun posities te verstevigen. Op andere plaatsen braken eveneens gevechten uit. De situatie was uiterst precair omdat de Griekse en Turkse legercontingenten, die volgens de akkoorden van Zürich op het eiland gestationeerd waren, met elkaar slaags zouden kunnen raken. Om dit te voorkomen werd op Brits initiatief op 24 december een wapenstilstand gesloten en een dag later ging Makarios akkoord met een tijdelijke vredesmacht van Griekse, Turkse en Britse troepen. De Engelsen namen daarop posities in in Nicosia om de strijdende partijen te scheiden. Dit was het begin van de Groene Lijn, de demarcatielijn die het hele eiland inmiddels in tweeën deelt. Het snelle Britse initiatief voorkwam een rechtstreekse confrontatie tussen de NAVO-partners Griekenland en Turkije, die samen met delegaties van de Turks en Grieks Cyprioten in januari in Londen bijeen kwamen om een oplossing te zoeken voor de ontstane patstelling. De besprekingen, die zich voortsleepten tot begin februari, leidden echter tot niets, waarop Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die het conflict niet wilden internationaliseren uit angst dat de Sovjet-Unie er profijt uit zou trekken, voorstelden een NAVO-vredesmacht op het eiland te legeren. Dit was echter tegen de zin van de regering-Makarios, die een politiek van niet-gebondenheid aanhing en die juist wel heil zag in internationalisering om een doorbraak te bereiken. Makarios bracht de zaak voor de Verenigde Naties, die begin maart besloten om een vredesmacht ('UNFICYP') naar Cyprus te sturen. Die bestond voornamelijk uit troepen uit NAVO-landen, onder bevel van de VN. Ondertussen braken nieuwe gevechten uit, die ertoe leidden dat Turkije zich gereed maakte voor een inval op het eiland. Slechts een persoonlijke interventie door de Amerikaanse president Johnson kon Ankara hiervan afbrengen. Johnson stuurde zijn gezant Dean Acheson naar Cyprus met het voorstel om tot een vorm van enosis te komen in ruil voor een Turkse soevereine basis op het eiland en afstand aan Turkije van het Griekse eilandje Kastellorizo. Dit voorstel werd door Makarios afgewezen. Enosis was niet langer het streven, het doel was een onafhankelijk en ongebonden Cyprus geworden, met een constitutie zonder vetorecht voor de Turks-Cyprioten. Deze begonnen zich in enclaves te verschansen. Die kregen het karakter van belegerde vestingen. Ondanks de aanwezigheid van de vredesmacht kwamen incidenten regelmatig voor. In augustus 1964 werd een Turks wapentransport onderschept, dat onderweg was naar Kokkina aan de westkust. De (Grieks Cypriotische) nationale garde viel daarop de enclave aan, waarna de Turkse luchtmacht te hulp schoot en een aantal Grieks Cypriotische dorpen bombardeerde. Opnieuw dreigden de Turken met een inval en werden zij daar met moeite door de VS van afgehouden. In 1967 werd de situatie op Cyprus door twee gebeurtenissen verscherpt. Ten eerste de heimelijke terugkeer van Grivas op het eiland, die daar de EOKA heroprichtte, nu EOKA-B genaamd en een terreurcampagne begon, die zich vooral richtte tegen de aanhang van Makarios. Ten tweede de staatsgreep in Athene, die een fascistische, anti-Makariosgezinde junta aan de macht bracht. Deze junta telde op Cyprus niet alleen mannen als Grivas onder zijn aanhang, maar ook talloze Griekse officieren die gedetacheerd waren bij de nationale garde. Aanhangers van Grivas vielen in november 1967 twee Turks Cypriotische dorpen aan, Agios Theodoros en Kophinou, waardoor Turkije nogmaals met een invasie dreigde. Die kon slechts worden afgewend door een snelle inkrimping van de Griekse troepenmacht op het eiland, die van de toegestane negenhonderdvijftig man was uitgegroeid tot bijna dertienduizend soldaten. Het ideaal van enosis had, mede door de dictatuur die zich in Athene had genesteld, voor veel Grieks Cyprioten zijn glans verloren. Een meerderheid stond nu achter de politiek van Makarios. Toch verkeerde de aartsbisschop in een weinig benijdenswaardige positie. De junta en zijn aanhang op Cyprus zagen hem als een gevaar dat het liefst snel uit de weg moest worden geruimd. Door de VS, zeer gekant tegen zijn politiek van niet-gebondenheid, werd hij beschouwd als een cryptocommunist en de Turks Cyprioten onder leiding van Rauf Denktash, zagen hem als een hinderpaal op weg naar het ideaal van taksim. Makarios probeerde, daarin gesteund door de VN, met de laatstgenoemden tot betere verhoudingen te komen. De de facto economische blokkade van de Turks Cypriotische enclaves werd opgeheven en onder leiding van Rauf Denktash en Glafkos Clerides werd er tussen beide gemeenschappen regelmatig overlegd waardoor de spanningen op het eiland voelbaar verminderden. Een gezamenlijke oplossing was echter nog niet bereikt toen de Atheense junta in 1974 haar plan uitvoerde om Makarios via een staatsgreep om te brengen en een marionet, in de vorm van Nicos Sampson, aan de macht te brengen. De staatsgreep vond plaats op 15 juli 1974. Eenheden van de nationale garde onder hun Griekse officieren vielen het aartsbisschoppelijk paleis aan, met de opdracht Makarios te doden. Deze wist echter in de verwarring te ontsnappen en via de Britse basis bij Limassol naar Engeland te ontkomen. Nicos Sampson nam de macht over. Over het gehele eiland braken gevechten uit tussen voor en tegenstanders van Makarios. De Turks Cyprioten trokken zich in hun enclaves terug. Lang hoefden zij daar niet te wachten. Dit keer was voor Turkije de maat vol. Op 20 juli landden er Turkse troepen bij Kyreneia, vanwaar zij oprukten naar Nicosia. De schok van de Turkse invasie was tot in Athene te voelen. Daar leidde zij tot de val van de junta en de terugkeer naar de democratie. Op Cyprus betekende zij het mislukken van de staatsgreep. Op 23 juli verdween Sampson van het toneel en werd de macht tijdelijk overgenomen door parlementsvoorzitter Glafkos Clerides. Op 30 juli kwam het tot een wapenstilstand, waarna er in Genève besprekingen begonnen tussen Griekenland, Turkije en de strijdende partijen op Cyprus. Turkije eiste op deze conferentie in een ultimatum een vorm van taksim, waarbij 35% van het eiland in Turks-Cypriotische handen zou komen. Toen Cyprus niet aan deze eis voldeed begon het Turkse leger op 14 augustus een nieuw offensief, waarbij het vrijwel het gehele noorden van het eiland veroverde. Vrijwel de gehele Grieks Cypriotische bevolking werd uit het bezette gebied verdreven, terwijl de meeste Turks Cyprioten van het zuiden naar het noorden trokken. Daarbij voegden zich in de periode na 1974 enkele tienduizenden immigranten van het Turkse vasteland, die door de Republiek Cyprus als illegalen worden beschouwd. Hiermee was het ideaal van taksim in feite bereikt. In 1983 riepen zij eenzijdig de, door niemand behalve Turkije erkende, Turkse Republiek van Noord Cyprus uit. In feite erkenden ook Bangladesh en Pakistan al heel snel de Turkse Republiek van Noord-Cyprus, maar onder druk van vooral de Verenigde Staten moesten ze hun erkenning weer intrekken.

Toetreding tot de Europese Unie

Het toetredingsproces van Cyprus tot de Europese Unie begon op 3 juli 1990. Op die dag diende Cyprus de aanvraag voor het EU-lidmaatschap in en claimde dat te doen voor het gehele eiland. De Turks-Cyprioten echter zeggen dat het Grieks-Cypriotische bestuur niet het Turkse gedeelte vertegenwoordigt. Desondanks erkent de Europese Unie sinds dat moment deze claim en dus de legitimiteit van de Grieks-Cypriotische regering over het hele eiland. Binnen de Europese Unie was er weinig belangstelling voor Cyprus en voor het conflict op het eiland; tevens ontbrak daar kennis over. Men hield zich vlak na het einde van de communistische regimes in Oost-Europa meer bezig met de ontwikkelingen aldaar en de mogelijkheden op toetreding tot de EU van voormalige communistische landen. Dat een Cypriotische toetreding toch op de agenda kwam is te danken aan EU-lid Griekenland. Het Cyprus-conflict was en is namelijk een van de belangrijkste onderdelen van de Griekse buitenlandse politiek. Griekenland gaf op dat moment onomwonden steun aan de Grieks-Cypriotische regering. In het begin van de jaren negentig zag men in Griekenland de Turken als aartsrivaal. Een toetreding van Cyprus tot de EU was vanuit Athene vooral wenselijk, omdat deze het conflict op het eiland zou kunnen oplossen in het voordeel van de Grieks-Cyprioten. Griekenland en de Grieks-Cypriotische regering hebben aldus tezamen de Cypriotische toelating op de agenda gezet. Griekenland legde een link met de wens van de EU om tot een uitbreiding met Oost-Europese landen te komen; men maakte aan de EU duidelijk een uitbreiding naar het oosten te vetoën indien Cyprus niet op de agenda zou komen.

Vanaf de Europese Raad van Kopenhagen in juni 1993 waren er duidelijke criteria voor Cyprus en andere landen en ging er aldus een nieuwe fase van het toetredingsproces van start. In dezelfde maand besprak de Europese Commissie de aanvraag van Cyprus en kwam tot een voorwaardelijke instemming van de toetreding. Cyprus zou pas kunnen toetreden indien het conflict op het eiland beëindigd zou worden, want de Europese Unie had geen zin een conflicthaard in huis te halen.

De Europese Raad van Helsinki (december 1999) was een nieuwe mijlpaal in de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie. Enerzijds werd nog steeds benadrukt dat de EU belang hecht aan een oplossing van het conflict, maar anderzijds staat sindsdien het ontbreken van een oplossing de toetreding van Cyprus niet langer in de weg. De Grieks-Cyprioten hadden toen hun zin gekregen: een toetreding zonder oplossing van het conflict is bij voorbaat goedgekeurd; men kon vanaf toen, met rugdekking van de EU, harde eisen stellen aan de Turks-Cyprioten. De EU kon weinig meer dan rugdekking bieden, omdat de Grieks-Cyprioten met het Helsinki-akkoord een belangrijke troef in handen hebben: wanneer de EU een verenigd Cyprus binnen de EU wil, moeten de Grieks-Cyprioten daarmee instemmen en moet dus aan hun wensen worden voldaan. Op datzelfde moment werd de Turks-Cypriotische gemeenschap uitgenodigd om aan de toetredingsonderhandelingen deel te nemen, maar enkel als onderdeel van de Grieks-Cypriotische regeringsdelegatie. Dit wordt door wetenschappers die onderzoek doen op dit terrein gezien als een duidelijk signaal dat de Europese Unie de conflictanalyse van de Grieks-Cyprioten had overgenomen. Men deelde de Grieks-Cypriotische visie dat Turkije een belemmering vormt voor een duurzame vrede: als Turkije echt zou willen, zo dacht men, zou het de Turks-Cyprioten tot een akkoord dwingen. Als gevolg daarvan stelde de EU aan Turkije de eis dat een oplossing van het Cypriotische conflict een voorwaarde zou zijn voor een Turkse toetreding.

Er zijn ook stemmen die beweren dat Cyprus in principe geen lid van de Europese Unie had mogen worden vóórdat Griekenland, Turkije en Groot Brittannië gezamenlijk ingestemd hadden; dit op grond van de garantieovereenkomsten. Deze bewering is echter nog niet bevestigd door rechtskundigen.

Denktash verraste in april 2003 vriend en vijand door een aantal reisbeperkingen op te heffen, waardoor voor het eerst sinds 1974 Grieken en Turken elkaars landsdelen konden bezoeken. Er werd afgesproken dat indien de regeringen er onderling niet uit zouden komen, Annan zijn plan zou voorleggen aan de bevolkingen van Turks- en Grieks-Cyprus en dit gebeurde dan ook. Wanneer beide bevolkingsgroepen hadden ingestemd, zou Cyprus een federale staat worden die tot de EU zou toetreden. Op 24 april 2004, kort voor de Cypriotische toetreding tot de EU, stemden de Turks-Cyprioten vóór het plan en de Grieks-Cyprioten (met instemming van hun regering) tegen.

Aangezien Cyprus volgens de Europese Unie aan alle vereisten Kopenhagen-criteria voldeed en een oplossing voor het conflict niet noodzakelijk zou zijn, kon Cyprus in mei 2004 toetreden.

De VN en de EU waren teleurgesteld dat Cyprus niet als een herenigd eiland zou toetreden en gaven de Grieks-Cypriotische nee-stemmers hiervan de schuld. Vanaf het referendum verhardde de houding van de EU ten opzichte van Cyprus zich: de EU heeft de TRNC gelijk na het referendum 259 miljoen euro toegezegd (een impliciete erkenning van die regering), Turks-Cypriotische politici bezoeken Europese leiders, er gaat op Turks-Cyprus gevlogen worden vanuit de EU en er wordt serieus gesproken over het opheffen van het embargo. Maar de Grieks-Cyprioten lijken er niet mee te zitten: zij hebben een zeer sterke positie in de onderhandelingen over een Turkse toetreding tot de Europese Unie; met een vetorecht kunnen zij deze toetreding tegenhouden. Inmiddels is begonnen met onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de Europese Unie, en heeft Grieks-Cyprus alsnog geen veto uitgesproken. Wat voor bijdrage dat overigens zou hebben voor de oplossing van het conflict is een ander aspect.

In juni 2006 zette de EU Turkije onder druk om zijn lucht- en waterwegen open te stellen voor Cypriotisch vliegtuigen en schepen. Maar Ankara vindt dat onaanvaardbaar zolang de EU Turks-Cyprus niet erkent. Premier Erdogan van Turkije kreeg in eigen land bijval voor zijn opvatting dat Turkije niet deelneemt aan EU-toetredingsonderhandelingen zolang de EU Turks-Cyprus niet erkent. Daarmee drukte hij uit dat voor Turkije de kwestie-Cyprus nog steeds van het allerhoogste (Turks-)nationale belang is.

==Bronnen==
Bron(nen):
bulletTheo van den Hoogen: 'De uitbreiding van de Europese Unie: Turkije en de kwestie-Cyprus', in: B. Bomert, Th. van den Hoogen en R.A. Wessel: Jaarboek Vrede en veiligheid 2003. Internationale veiligheidsvraagstukken en het Nederlands perspectief, Centrum voor Internationaal Conflictanalyse en –Management, Nijmegen, 2003 (hardcover).
bulletZyperns Europäische Option - Andreas Klute, Westfälischen Wilhelms-Universität, Münster, 2000 (hardcover).
bulletDe Europese Unie en Cyprus: een rationeel verbond? - E. van der Neut, Nijmegen, 2004.
bulletC.A. Klok: Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus, van de prehistorie tot heden. Utrecht 2005.